Natuurschoonwet landgoed buiten Nederland

De Staatssecretaris van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Financiën hebben besloten om goedkeuring te verlenen voor rangschikking van niet in Nederland gelegen landgoederen die een element vormen van het Nederlands cultureel erfgoed. Dit besluit loopt vooruit op een wijziging van de Natuurschoonwet 1928 en het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928.

Zij keuren onder voorwaarden goed dat een niet in Nederland gelegen onroerende zaak kan worden aangemerkt als een landgoed als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Natuurschoonwet 1928.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden: 

1. De onroerende zaak vormt een element van het Nederlands cultureel erfgoed. Om aangemerkt te worden als element van het Nederlands cultureel erfgoed, gelden één of meer van de volgende criteria: 
a. cultuurhistorische waarde: 
- i. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan is een bijzondere uitdrukking van een voor Nederland kenmerkende culturele, sociaaleconomische, bestuurlijke, beleidsmatige of geestelijke ontwikkeling; 
- ii. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan is een bijzondere uitdrukking van een geografische, landschappelijke of historisch-ruimtelijke ontwikkeling, die evident verband houdt met de Nederlandse geschiedenis; 
- iii. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan is een bijzondere uitdrukking van een technische of typologische ontwikkeling, die zijn oorsprong heeft in Nederland of waarvan de ontwikkelaar een Nederlander is die van betekenis is geweest voor Nederland; 
- iv. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan heeft bijzondere innovatieve waarde of pionierskarakter, waarbij deze vernieuwing zijn oorsprong heeft in Nederland; 
- v. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan heeft bijzondere herinneringswaarde aan een historische episode die van groot belang is voor de Nederlandse geschiedenis; b. architectuur- en kunsthistorische waarde: 
-- i. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan is van belang voor de geschiedenis van de Nederlandse architectuur of Nederlandse bouwtechniek; 
-- ii. de onroerende zaak of een wezenlijk onderdeel daarvan behoort tot het oeuvre van een Nederlandse bouwmeester, architect, ingenieur of kunstenaar van wie een belangrijk deel van zijn oeuvre in Nederland tot stand kwam. 
2. De onroerende zaak is gelegen in een staat als bedoeld in artikel 1c van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. 
3. De onroerende zaak voldoet aan de overige voorwaarden van de Natuurschoonwet 1928 en het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928. 
4. Een verzoek van de eigenaar aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Financiën om een niet in Nederland gelegen onroerende zaak aan te merken als een landgoed, bevat bewijsstukken en kopieën van de gebruikte literatuur en documentatie waaruit blijkt dat het landgoed een element is van het Nederlands cultureel erfgoed, aan de hand van de hierboven genoemde criteria. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en de Belastingdienst beoordelen een verzoek tot rangschikking daarbij aan de hand van de overgelegde gegevens. 
5. De aanvrager verstrekt de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en de Belastingdienst op hun verzoek een door een beëdigde vertaler gemaakte vertaling van de ingediende documenten.
Voor meer informatie of ondersteuning in deze materie neemt u contact op met ons kantoor.